Nieuws

Fosfaatreductieplan: melkvermindering of GVE-reductie

Melkveehouders moeten in 2017 kiezen tussen de ‘melkgeldregeling’ of de ‘GVE-reductieregeling’. Voor de meeste bedrijven zal deelname aan de ‘GVE-reductieregeling’ de beste keuze zijn. In dit bericht worden beide regelingen uitgelegd op basis van de nu beschikbare informatie. Diverse details zullen in de uiteindelijke regeling opgenomen moeten worden en zijn nog niet bekend. Vooruitlopend op het fosfaatreductieplan, dat waarschijnlijk op 1 maart 2017 in werking treedt, heeft FrieslandCampina per 9 januari 2017 een standstil afgekondigd.

Fosfaatreductieplan
In aanloop op het fosfaatrechtenstelsel van 2018 wordt gewerkt aan een fosfaatreductieplan voor het jaar 2017. Het doel is om de fosfaatproductie in 2017 de reduceren om de derogatie van het jaar 2017 en vanaf 2018 veilig te stellen.

 

Drie sporen
Onlangs is het ‘Voornemen tot Maatregelenpakket fosfaatreductie’ gepubliceerd. Het plan bevat drie sporen:

• Fosfaatreductie via voerspoor.

• Bedrijfsbeëindiging- en krimpregeling.

• Fosfaatreductieplan ZuivelNL.

 

Voerspoor
Met het voerspoor hebben de diervoederbedrijven (Nevedi) afgesproken dat het fosforgehalte in het mengvoer voor melkvee in 2017 gemiddeld 4,3 gram per kilogram voer mag bedragen. De doelstelling is om hiermee een fosfaatreductie te realiseren van 1,7 miljoen kg.

 

Bedrijfsbeëindiging- en krimpregeling
De bedrijfsbeëindiging- en krimpregeling wordt in een apart bericht beschreven. Het doel van deze regeling is om middels stoppers en mogelijk ook krimpers ca. 2,5 miljoen kg fosfaat te reduceren.

 

Fosfaatreductieplan ZuivelNL
Voor de bedrijven die in 2017 melk leveren zijn twee regelingen voorgesteld:

• Melkgeldregeling.

• GVE-reductieregeling.

Iedere zuivelonderneming moet de keuze maken of beide opties worden opengesteld. Vervolgens mag iedere melkveehouder kiezen tussen de beide regelingen (mits opengesteld door eigen zuivelonderneming). Het doel van de regelingen is om in totaliteit 4 miljoen kg fosfaat te reduceren. Met beide regelingen moet in principe terug gegaan worden naar het niveau van (2 juli) 2015 minus 4%.

 

Melkgeldregeling
Bedrijven die meedoen aan de melkgeldregeling mogen vanaf 1 maart 2017 niet meer melk leveren dan een bepaald referentievolume. Dit referentievolume is de hoeveelheid melk die in 2015 is geleverd minus 4%. Dit referentievolume wordt vervolgens per maand verdeeld. Deze verdeling vindt plaats op basis van het leveringspatroon van 2016 of indien gewenst van 2015 (vrije keuze).

 

Grondgebonden bedrijven

Volgens de huidige informatie wordt er geen uitzondering gemaakt voor bedrijven die in 2015 grondgebonden waren.
 

Korting bij hogere levering
Bedrijven die meer leveren dan de maandreferentie worden over het meerdere gekort met 90% van de melkprijs van die maand.

 

In één keer voldoen
Bedrijven die meedoen met de melkgeldregeling moeten vanaf de eerste maand, waarschijnlijk maart 2017, direct volledig voldoen aan het referentievolume.

 

GVE-reductieregeling
De GVE-reductieregeling werkt enigszins vergelijkbaar met de melkgeldregeling, maar dan o.b.v. GVE’s. Een belangrijk verschil is dat met de GVE-regeling ook een vermindering van jongvee invloed heeft. Daarnaast is een belangrijk verschil dat de vereiste daling in de stappen mag verlopen en het niet verplicht is de vereiste reductie op één moment te realiseren. Verder geldt dat de korting in GVE’s maximaal 40% is t.o.v. de referentiedatum 1 oktober 2016. Dit is vooral van belang voor grote groeiers en starters.

 

GVE-referentie
Voor een bedrijf dat kiest voor de GVE-reductieregeling wordt een GVE-referentie berekend. Deze referentie is het aantal GVE’s (code 100, 101 & 102) dat op 2 juli 2015 aanwezig was minus 4%. De voorgestelde GVE-normen zijn in onderstaande tabel opgenomen.

 

Voorgestelde GVE-normen

Geen 4% korting voor grondgebonden bedrijven

Bedrijven waarvan de fosfaatproductie van melkvee in 2015 kleiner was dan de fosfaatruimte in 2015 worden in het kader van deze regeling beschouwd als een grondgebonden bedrijf. Voor deze bedrijven wordt de korting van 4% op de referentie van 2 juli 2015 niet toegepast.


Forfaitaire productie of BEX?
Voor de bepaling van grondgebondenheid wordt aangesloten bij de definitie uit de Meststoffenwet. Hierbij is niet duidelijk of voor de fosfaatproductie de forfaitaire normen gehanteerd moeten worden of dat ook gebruik gemaakt mag worden van een eventuele BEX-berekening.

 

Vermindering in stappen
Bedrijven moeten in maximaal 4 stappen (van 2 maanden) er voor zorgen dat het aantal GVE’s op het bedrijf kleiner of gelijk is aan de GVE-referentie (aantal GVE’s op 2 juli 2015 minus 4%). Hiervoor wordt per bedrijf per periode een taakstelling bepaald. Het is de bedoeling dat de eerste periode start op 1 maart 2017.

 

Taakstelling t.o.v. 1 oktober 2016

De taakstelling (maximaal aantal te houden GVE’s in de betreffende maand) wordt bepaald o.b.v. het aantal gehouden GVE’s op 1 oktober 2016. Per periode van twee maanden wordt een reductiepercentage ingesteld. Dit percentage loopt iedere periode op tot maximaal 40% in periode 4. In periode 5 (nov – dec) mag maximaal hetzelfde aantal dieren worden gehouden dan in periode 4.

 

Niet verder dan GVE-referentie

Een bedrijf hoeft nooit meer GVE’s te verminderen dan de GVE-referentie van het bedrijf.

 

Groei vanaf 1 oktober direct reduceren

Indien het huidige aantal dieren (GVE’s) hoger is dan het aantal op 1 oktober 2016 zal dit extra aantal direct bij de start (1 maart 2017) moeten worden verminderd.

 

Alleen met dood-, export- of slachtverklaring
Om het aantal GVE’s op het bedrijf te reduceren moeten alle dieren die teveel gehouden worden afgevoerd middels dood-, export- of slachtverklaring. Zoals het nu lijkt geldt dit voor iedere afvoer na 1 oktober 2016. De afvoer van nuchtere klaveren naar de vleeskalverhouderij geldt ook als vermindering.

 

Korting bij hoger aantal GVE’s
Bedrijven waarvan de gemiddelde veebezetting in GVE’s in een maand hoger is dan de maandreferentie (taakstelling) worden gekort op het melkgeld. De korting wordt berekend door per ieder teveel gehouden GVE standaard 800 kg melk per maand toe te kennen (jaarproductie 9.600 / 12 maanden = 800 kg melk per maand) . Het aantal GVE’s wordt berekend over het aantal GVE’s dat wordt gehouden boven de GVE-referentie (2 juli 2015 minus 4%) en dus niet t.o.v. de maandreferentie. Over de berekende melkproductie wordt een korting berekend van 90% van de melkprijs van die maand.

 

Tweede maand voldoen

Indien een bedrijf in de eerste maand van een periode niet aan de taakstelling van die maand voldoet wordt over die maand een korting opgelegd. Indien in de tweede maand wel aan de taakstelling wordt voldaan (de taakstelling wordt dan aan het einde van de periode bereikt) dan wordt de korting van de eerste maand terugbetaald. Indien in de tweede maand ook niet wordt voldaan dan krijgt het bedrijf ook over de tweede maand een korting opgelegd.

 

Solidariteitsbijdrage
Bedrijven die wel aan de taakstelling voldoen, maar in de betreffende maand meer GVE’s hebben dan de GVE-referentie (2 juli 2015 minus 4%) krijgen geen korting, maar moeten een solidariteitsbijdrage betalen. Deze bijdrage wordt berekend op basis van het verschil tussen de GVE-referentie en het daadwerkelijk aantal gehouden GVE’s. Dit verschil wordt omgerekend in kg melk. Hiervoor wordt ook standaard 800 kg melk per maand toegekend. Over de berekende melkproductie wordt een bijdrage berekend van 20% van de melkprijs van die maand.

 

Vrijstelling en bonus
Bedrijven die het aantal GVE’s in 2017 verder reduceren of reeds hebben gereduceerd t.o.v. de GVE-referentie (2 juli 2015 minus 4%) krijgen een bonus. Deze bonus is afhankelijk van de beschikbare middelen (uit de kortingen en solidariteitsbijdragen) en bedraagt t/m september maximaal € 60 per GVE per maand. In oktober t/m december is dit maximaal € 200 per GVE per maand. De bonus wordt uitgekeerd tot een reductie van 2 juli 2015 minus 10%.

 

Onduidelijkheden GVE-reductieregeling
Met name t.a.v. de GVE-reductieregeling zijn nog diverse vragen en onduidelijkheden. Op dit moment is daar niet meer duidelijkheid over te krijgen. Grotendeels waarschijnlijk omdat een heel aantal zaken nog uitgewerkt moeten worden.

 

Bedrijfsoverdrachten
In het plan is aangegeven dat, ingeval bedrijven na 2 juli 2015 zijn overgedragen, de referentie bij elkaar opgeteld zullen worden. Het is echter nog niet bekend aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Ook is niet bekend of het mogelijk is om nu nog een bedrijf over te nemen en de referenties bij elkaar op te tellen.

 

Deels overnemen?
In het kader van de fosfaatrechten is het mogelijk een bedrijf in delen over te dragen en het recht op fosfaatrechten naar eigen wens te verdelen. Het is niet bekend of dit ook kan in het kader van de fosfaatreductieregeling.

 

Procedure
Diverse partijen moeten nog instemmen met het fosfaatreductieplan. Vervolgens moet het volledige plan getoetst worden door de Europese Commissie. Na goedkeuring moet het ministerie van Economische Zaken een ‘Algemeen Verbindend Verklaring’ (AVV) afgeven. Pas dan kan het plan worden uitgevoerd. Het hele traject kost, naar verwachting van ZuivelNL, ongeveer 2 maanden. Vervolgens zou het plan per 1 maart 2017 in werking kunnen treden.

 

Standstill FrieslandCampina
In voorbereiding op het fosfaatreductieplan heeft FrieslandCampina een standstil afgekondigd. Deze gaat per 9 januari 2017 in.